Rolstoelen in het verkeer
Met de rolstoel rijden levert heel wat moeilijkheden op. Denk maar aan de toegang tot openbare gebouwen en winkels, het gebruik van het openbaar vervoer en het gebruik van een rolstoel op de openbare weg. Het ingewikkelde verkeersreglement maakt het er niet gemakkelijker op.
Sinds 15 maart 2007 worden personen met een handicap die gebruik maken van een elektrische rolstoel of elektrische scooter beschouwd als bestuurders van een voortbewegingstoestel. Zo’n toestel kan gemotoriseerd of niet-gemotoriseerd zijn.
Gemotoriseerde voortbewegingstoestellen zijn motorvoertuigen met twee of meer wielen die niet sneller kunnen rijden dan 18 kilometer per uur. Rijd je met een elektrische rolstoel of een elektrische scooter? Dan val je onder deze categorie. Niet-gemotoriseerde voortbewegingstoestellen zijn voertuigen die door de gebruiker door middel van spierkracht worden voortbewogen en niet met een motor zijn uitgerust.
Waar dien je als rolstoelgebruiker te rijden?
Dit wordt bepaald op basis van de gevoerde snelheid. Als je rolstoel niet sneller rijdt dan stapvoets, word je gelijkgesteld met een voetganger. Dan rijd je bij voorkeur op het trottoir, de delen van de openbare weg voorbehouden voor de voetgangers of op de begaanbare gelijkgrondse bermen. Als deze voorzieningen ontbreken of onbruikbaar zijn, mag je de andere delen van de openbare weg volgen. Rijd in dat geval bij voorkeur op het fietspad. Indien ook dat niet aanwezig is, dien je op de rijbaan te rijden. Doe dit dan wel telkens aan de linkerzijde, dus in de tegengestelde richting van het verkeer. De plaats waar je rijdt, bepaalt ook de verlichting die je ’s nachts, tussen valavond en zonsondergang en overdag nodig hebt als de zichtbaarheid niet verder reikt dan 200 meter:
Op delen van de openbare weg die voorbehouden zijn voor voetgangers heb je als rolstoelgebruiker geen verlichting nodig.
Op delen van de openbare weg die niet voorbehouden zijn voor voetgangers (bijvoorbeeld op het fietspad), moet je vooraan een wit of geel licht en achteraan een rood licht gebruiken. Die lichten mogen in één toestel verenigd zijn, dat links geplaatst moet worden.
Rolstoelgebruikers die links op de rijbaan rijden, moeten vooraan een rood licht en achteraan een wit of geel licht gebruiken. Die lichten mogen in één toestel verenigd zijn, dat rechts moet geplaatst worden.
Rijd je sneller dan stapvoets? Dan dien je je aan de regels voor fietsers te houden. Je dient dus bij voorkeur op het fietspad te rijden. Als er geen fietspad is, mag je ook gebruik maken van de parkeerzones en de gelijkgrondse bermen rechts van je, op voorwaarde dat je voorrang verleent aan de weggebruikers die er zich bevinden. Buiten de bebouwde kom, mag je zelfs op het trottoir en de verhoogde berm rijden als je tenminste de zwakke weggebruikers voorrang geeft. Als het echt niet anders kan, moet je als rolstoelgebruiker rechts op de rijbaan rijden. ’s Nachts, tussen valavond en zonsondergang en overdag als de zichtbaarheid tot 200 meter beperkt is, dien je qua verlichting rekening te houden met de volgende richtlijn: Als je rechts op de rijbaan rijdt of het fietspad volgt, moet je vooraan een wit of geel licht en achteraan een rood licht gebruiken. Die lichten mogen in één toestel verenigd zijn, dat links geplaatst moet worden. Zowel vaste lichten als knipperlichten zijn toegestaan.
Bestuur je een rolstoel zonder motor door middel van pedalen of handgrepen? Dan moet je in principe rechts op de rijbaan rijden. Je mag echter ook het fietspad volgen, wat voor je veiligheid aan te raden is. Je mag enkel van deze uitzonderingsmaatregel gebruik maken als je drie- of vierwieler minder dan 1 meter breed is. In deze situatie gelden voor jou, ’s nachts, tussen valavond en zonsopgang en overdag als de zichtbaarheid niet verder dan 200 meter reikt, de volgende regels wat de verlichting betreft:
driewieler met 1 voorwiel: witte reflector vooraan en 2 rode reflectoren achteraan;
driewieler met 2 voorwielen: 2 witte reflectoren vooraan en 1 rode reflector achteraan;
vierwieler: 2 witte reflectoren vooraan en 2 rode reflectoren achteraan + gele of oranje reflectoren op de pedalen.
Drie- en vierwielers moeten bovendien uitgerust zijn met een bel die hoorbaar is op een afstand van 20 meter.
Besluit
Zelfs met de aangepaste wetgeving blijft het voor rolstoelgebruikers niet altijd even duidelijk waar zij zich moeten begeven op de openbare weg.