Als het spreken en begrijpen van taal, lezen en/of schrijven niet meer vanzelfsprekend is ... AFASIE
Voorwoord
“Ik euhm, goed geslapen, nacht, euhm morgen, ...”
“Ja, euhm, jaja, euhm neen, ...”
“Mijn dochter had geen, ze is euhm, daar zo, ja dat is het, ze kan geen ...”
“Ik euhm ben naar de winkel geweest en ik heb euhm mijn boodschappen euhm meegebracht. Ik euhm was euhm het euhm brood vergeten.”
Uit deze situaties blijkt dat een persoon met hersenbeschadiging mogelijk problemen ondervindt bij het spreken. Het is mogelijk dat hij/zij niet vloeiend spreekt, dat hij/zij steeds dezelfde woorden uit of dat hij/zij moeilijkheden heeft met het vinden van de juiste woorden. Komen dergelijke situaties jou bekend voor? Dan heeft je familielid of kennis mogelijk te maken met een taalstoornis, namelijk ‘afasie’. Hier vind je meer informatie over deze problematiek.
Inleiding
Afasie is een taalstoornis waarbij de persoon duidelijk problemen ondervindt bij het gebruik van taal. Hierbij kan de persoon problemen ervaren bij het spreken en bij het begrijpen van taal, alsook bij het lezen en het schrijven. Ten gevolge van de problemen die een persoon met afasie ondervindt bij het gebruik van taal, kan de communicatie met andere personen enorm bemoeilijkt worden, wat tot een aantal ongemakkelijke situaties kan leiden.
Verschillende uitingsvormen
Er bestaan verschillende afasietypes die elk een aantal typische kenmerken vertonen. Zo spreekt men van een motorische afasie, ook wel ‘afasie van Broca’ genoemd, wanneer de persoon voornamelijk moeilijkheden ondervindt bij het gebruik van taal, namelijk bij het spreken en het schrijven. De persoon heeft problemen met het vinden van de juiste woorden, waardoor er veel stiltes vallen in een gesprek. Het taalbegrip blijft bij deze vorm van afasie vaak goed bewaard. Het begrijpen van gesproken taal en het lezen leveren meestal geen problemen op. Aangezien het taalbegrip bij de persoon meestal intact is, zal de persoon inzicht hebben in zijn/haar probleem.
Bij een sensorische afasie, ook wel ‘afasie van Wernicke’ genoemd, heeft men voornamelijk problemen met het taalbegrip, dus met het begrijpen van gesproken taal en lezen. Men heeft meestal geen problemen om te spreken, maar er is geen logische samenhang in het verhaal aanwezig. De persoon zal zich bij dit type hoogstwaarschijnlijk niet bewust zijn van de aanwezigheid van de problematiek, omwille van een gestoord taalbegrip.
De globale afasie betreft de meest ernstige vorm. Het is mogelijk dat een persoon slechts enkele woorden kan uiten zoals ‘ja’ en ‘neen’ en het is zelfs mogelijk dat de persoon niet meer tot spreken komt; men spreekt dan van ‘mutisme’. Ook bij het lezen en het schrijven ondervindt de persoon vaak moeilijkheden. Deze vorm kan na verloop van tijd evolueren naar één van de andere beschreven afasietypes.
Tot slot spreekt men van een anomische of een amnestische afasie waarbij de persoon moeilijkheden ondervindt bij het vinden van de juiste woorden. De persoon spreekt relatief vloeiend, maar hij/zij heeft vaak wel problemen met lezen en schrijven.
Naast deze specifieke vormen van afasie bestaan er nog veel mengvormen. Het komt zelden voor dat een persoon één specifieke vorm van afasie heeft. Vaak zal een mengvorm aanwezig zijn van twee of meerdere afasietypes. Ook de ernst van de problematiek kan sterk variëren. Men kan stellen dat twee personen met afasie nooit identiek dezelfde problemen ondervinden.
Nico lijdt aan afasie. Dankzij de steun en de hulp van zijn vriendin Liesbeth slaagt hij erin om een relatief normaal leven te leiden. Hij vindt het wel jammer dat er bij werkgevers zo weinig begrip bestaat voor zijn aandoening.
Adviezen in de omgang met personen met afasie
Praat over onderwerpen die de persoon interesseren.
Controleer of de persoon de boodschap begrepen heeft. Een persoon met afasie kan ‘ja’ zeggen terwijl hij/zij eigenlijk ‘neen’ bedoelt.
Behoud steeds oogcontact. Dit oogcontact bevordert het behoud van aandacht en concentratie. Op die manier kan een gesprek vlotter verlopen.
Spreek de persoon steeds aan met zijn/haar naam. Op die manier weet de persoon dat de boodschap voor hem/haar bedoeld is.
Wees aandachtig voor de gebaren, de mimiek, de lichaamstaal en de intonatie van de persoon. Deze aspecten kunnen ook veel informatie bevatten.
Beantwoord geen vragen in naam van de persoon. Laat de persoon zelf duidelijk maken wat hij/zij wil.
Wees je er bewust van dat een persoon met afasie meestal intacte intellectuele vermogens heeft.
Probeer gedragsveranderingen in de juiste context te plaatsen. Wees begripvol als de persoon gefrustreerd is omdat hij/zij zich niet kan uiten. Wees begripvol als de persoon niet begrijpt waarom anderen hem/haar niet verstaan.
Herhaal indien nodig meerdere malen je zin tot wanneer de persoon je begrepen heeft.
Zorg ervoor dat er niet meer dan één persoon tegelijkertijd tegen de persoon met afasie spreekt. Het is moeilijk om naar verschillende personen tezelfdertijd te luisteren.
Stimuleer de persoon om te spreken.
Indien de persoon niet tot spreken komt, stimuleer hem/haar om ‘ja/neen’-vragen te beantwoorden door met het hoofd te knikken.
Stimuleer de persoon om de voorwerpen waarover hij/zij het heeft aan te wijzen indien deze aanwezig zijn.
Heb niet de intentie om de persoon voortdurend te verbeteren. Dit kan frustraties uitlokken. Het is voor de persoon voornamelijk belangrijk dat hij/zij je kan duidelijk maken wat hij/zij bedoelt.
Laat de persoon voldoende tijd om zich te verwoorden. Wees geduldig.
Adviezen die het begrip van de persoon met afasie bevorderen
Spreek rustig en duidelijk. Gebruik korte zinnen, zonder kinderlijke taal te gebruiken.
Benadruk de belangrijkste woorden uit de zin. Zorg dat één zin slechts één boodschap bevat.
Wacht op een reactie. Op die manier kan men inschatten of de persoon de boodschap begrepen heeft.
Het is handig om pen en papier bij de hand te hebben. Indien nodig kan men de belangrijkste woorden opschrijven om zo de boodschap over te brengen.
Ondersteun de boodschap, indien nodig, met gebaren. Hierbij moet je de boodschap altijd blijven verwoorden; de gebaren vormen enkel een ondersteuning.
Maak de persoon duidelijk wanneer je van onderwerp verandert. Schakel niet te snel en niet te veel over naar een ander onderwerp.
Pas het taalgebruik aan hoe de persoon vroeger sprak aan. Sprak hij/zij vroeger dialect, dan is het beter om nadien ook het dialect te gebruiken.
Bij een ernstig gestoord taalbegrip dien je eenvoudige vragen te stellen, zoals ‘ja/neen’-vragen.
Zorg voor een rustige omgeving en vermijd storende prikkels, zoals een spelende radio of tv, storende lawaaihinder, ...